“Ik ben subtiel afwezig als curator”

– een gesprek met Lieve Vanmaele

Dikwijls gedacht dat een curator vooral instaat voor praktische zaken zoals het vastleggen van de zaal, het ontwerp van de uitnodiging, of relaties met de pers. Uiteraard naast de selectie van kunstenaars en werken – maar hoe moeilijk kan dat zijn. Kunstenaars weten toch best welk werk sterk is. Maar niets is minder waar. Een curator blijkt een soort van octopus, die verschillende rollen opneemt in het proces van een tentoonstelling. Tegelijk aanwezig en afwezig. We laten Lieve Vanmaele aan het woord. Zij nam de dubbele rol op van curator en kunstenares voor de tentoonstelling Subtiel Textiel.

Laten we beginnen bij het begin. Vanwaar het concept van deze tentoonstelling, Subtiel Textiel – Voorbij de keerzijde?

Vorig jaar deed ik al eens mee aan een groepstentoonstelling onder de naam ‘Subtiel Textiel – een tegendraadse expositie’. Ik werd gevraagd om voor een vervolgeditie de taak als curator op te nemen. Omdat het opnieuw de bedoeling was om minder voor de hand liggende textielkunst te brengen, kwamen we uit op het concept van de keerzijde. Ik wou vooral iets doen tegen eenzijdigheid. Ik krijg er de kriebels van hoe mensen in het algemeen dingen van één kant bekijken of ook bekeken worden. En zeker in de kunst, of het nu beeldend is of vanuit muziek, dans… of ook de manier waarop we omgaan met een ruimte. Ik wou dat doorbreken en aandacht vragen voor de veelheid aan invalshoeken. Vandaar de ondertitel ‘voorbij de keerzijde’. Ik had net in Amsterdam een expo met textiele kunst gezien waar ook de achterzijde van werken bekeken konden worden. Die extra dimensie gaf me als ruimtelijk denker onmiddellijk een klik. En een uitdaging om dat zelf eens in de praktijk om te zetten.

In mijn vorig in situ (solo)project op het schip Epreuve d’Artiste had ik dat al voor een stuk uitgeprobeerd. Ik had me toegelegd op El Lissitzky, die als kunstenaar en architect ook heel erg begaan was met ruimtelijke concepten en scenografie voor tentoonstellingen. Interessante inzichten. Vooral het omgaan met ruimtelijkheid op zich sprak me heel erg aan. Toen kwam de kans om dit verder uit te werken in de grote ruimte van deWeverij met werk van andere kunstenaars.

De eerste opdracht was andere kunstenaars vinden. Hoe is dat verlopen?

Op de eerste plaats moest ik abstractie maken van wat het resultaat zou kunnen worden. Het was belangrijk om goed te peilen naar hoe de kunstenaars in mekaar zaten en hoe zij op termijn zouden willen meedenken in het totaalproject. Ik was niet op zoek naar kunstenaars die binnen mijn beeld pasten. Ik zocht verschillende types kunstenaars, met verschillende technieken, uiteenlopende ‘beeldtalen’. Gaandeweg leerde ik ook de mens achter het werk kennen, en hun visie op die eenzijdigheid/tweezijdigheid. Dat was heel boeiend. Want ik wou hen vooral in hun eigen, authentieke beeldtaal laten bewegen, eerder dan ze allemaal te laten conformeren aan mijn beeld.

Naar aanleiding van de atelierbezoeken zijn er ook kunstenaars afgevallen. Ik probeerde vooral doorheen het werk, het materiaal, de techniek en de mens naar de kracht van hun taal te kijken. En uiteraard ook hun goesting om met het thema van tweezijdigheid, in combinatie met andere kunstenaars – die ze op dat moment ook nog niet kenden, aan de slag te gaan. Kortom, ik probeerde een artistieke vertaling te zien waar ze zelf nog niet bewust mee bezig waren. Dat doe je niet aan de hand van foto’s op Instagram, maar door een stevig gesprek én kijken. Echt kijken en blijven kijken. Binnen de comfortzone van het atelier, maar er hing toch wel wat zenuwachtigheid in de lucht. Zal ik erbij zijn of niet? Ik zag ook hoe de kunstenaars zelf met hun werk omgaan, ook letterlijk fysiek. Eén van de kunstenaars hield onbewust het werk tegen het zonlicht en toonde daarmee de ommezijde, die tot haar eigen verrassing een heel nieuwe dimensie prijsgaf. Kijken wordt zien.

Had je na de selectie het gevoel: nu weet ik welke werken ik kan gebruiken?

Niet echt. Ik heb geen voorafnames gedaan met het oog op het realiseren van mijn concept. Ik wist dat er nog werk aan de winkel zou zijn. Sommige kunstenaars kende ik al, en daar had ik wel het vertrouwen dat het goed zou komen. Bij anderen zag ik nog niet onmiddellijk het resultaat, maar dat nam ik wel op als mijn rol om dat proces verder te faciliteren.

Je hebt nog verschillende contacten met de kunstenaars gehad, alleen, met z’n allen samen. Er zijn zelfs enkele in situ try-outs gebeurd? Voelden de kunstenaars zich daar goed bij, of ondervond je weerstand?

Ik denk wel dat de meesten dat nuttig en zelfs leerrijk vonden. Sommigen heb ik zachtjes gepusht om anders naar hun werk te kijken, nieuwe dingen te verkennen. Vooral ook de presentatie, de manier van ophangen, was voor mij belangrijk – uiteraard dan ook vanuit de beleving van het totaalconcept. Het is heel motiverend, stimulerend dat er zo nieuwe dingen ontstaan. Kunstenaars die daarvoor open staan genieten daar ook heel hard van. De extra bezoekjes hebben zeker hun nut gehad. Ik moest ook wel wat verwachtingen managen en twijfels wegnemen. De collega kunstenaars laten zich natuurlijk wel wat kwetsbaar zien. Niet in het minst ook ten opzichte van elkaar. Hoe gaat mijn werk zich verhouden tot dat van de anderen? Komt het geheel wel goed? Voor mij uitdagend om iedereen op een positieve manier aan boord te houden. Het gaat heel hard om vertrouwen in een niet-eenzijdige richting, waarmee de ‘weverij’ helemaal rond is.

Als we dan even naar de volgende ‘mijlpaal’ kijken, de opbouw. Hoe heb je dat ervaren? Viel alles direct op zijn plaats of heb je nog moeten bijsturen?

Ja, dat was wel spannend uitkijken. Ook al omdat vanuit die voorbereidingen heel wat verwachtingen gerezen waren over hoe het er finaal zou uitzien. Over mijn persoonlijke interventie werd nooit echt veel gezegd of gevraagd. Behalve dat ik wel zou zorgen voor een ‘verbindend geheel’ achteraf. Voor velen was het dus niet duidelijk hoe ik hun werk daarin al zou betrekken of niet. We hadden op een bepaald moment enkele zones afgesproken en wat weg en weer gepingpongd over welk werk mee te brengen. Maar op de dag van de opbouw zou het toch allemaal nog moeten gebeuren.

Bij het binnenbrengen bleek al vlug dat er wel wat veranderingen zouden kunnen gebeuren. De ruimte heeft nu eenmaal vanuit zijn omvang en constructie wel een zekere ‘eigengereidheid’ om kunst te brengen. Ik voelde onmiddellijk al een zekere spanning. Ik had armen en benen te kort om met iedereen tegelijk te overleggen en na te denken waar bijgestuurd zou kunnen, moeten worden. Ik moest terugvallen op mijn ervaring om heel erg in lagen te gaan denken. Als we dit doen, kunnen we dan dat doen. Geleidelijk aan, laag na laag opbouwen. Maar nog de mogelijkheid laten om weer een laag af te pellen. De kunstenaars vooral ook zelf tot inzicht laten komen door hen dingen te laten proberen. Wie ben ik om zomaar van alles op te dringen. Dat was niet evident. Het was voor velen een lange en vermoeiende dag. Fysiek, maar ook mentaal – om het eigen werk anders te bekijken, om eigen werk tegenover ander werk te zien, om de ruimte die zich niet zo maar buigt te respecteren. Ik heb veel tijd uitgetrokken om hen uit te leggen waarom bepaalde zaken nu toch beter anders werden uitgevoerd. Er is altijd een waarom. Best wel pittig.

Maar voor mij is dat de essentie van curator zijn. Het is balanceren tussen wat de kunstenaar voor ogen heeft, en de regie die ik wil voeren met het oog op het geheel. Waarbij ik de authenticiteit van de kunstenaar niet wil beschamen. En zeker als je beslist om werken niet op te stellen, kom je al vlug in een modus van weerstand, twijfel, ongeloof. Op dat moment moet ik standvastig zijn. Ik wil niet hard zijn, maar kiezen is uiteraard verliezen. Gelukkig kan ik dan terugvallen op redelijk wat mensenkennis en mijn aanpak om gradueel, gelaagd te gaan werken. Geen bruuske wijzigingen of harde beslissingen. Alles in overleg en met wederzijds respect. Die vibe blijft overigens hangen in het eindresultaat. Wat finaal dan toch anders of niet getoond wordt, heeft wel degelijk een rol gespeeld.

Tot slot heb je er zelf nog een laag bovenop gedaan, een ruimtelijke interventie. Had je als doel het geheel te lijmen of wou je een echte meerwaarde creëren?

Uiteraard is het de bedoeling om – in zoverre dat onvoldoende gebeurd zou zijn – het geheel met elkaar te verbinden. Alles met alles connecteren, spanningsvelden creëren of net wegnemen. Het is ook een bevestiging van de mentale processen die aan de basis lagen van beslissingen om bepaalde zaken zus of zo te doen. Het is natuurlijk wel geen negatieve oplossing, integendeel, het is bedoeld om van één plus één drie te maken. Een mentale verbinding tussen verschillende werken, materialen, technieken en achterliggend de kunstenaars. En in wat je ziet heb ik bewust gekozen voor een heel minimalistische interventie. Door de fijne draden en beperkte materialen lijkt het alsof ik afwezig ben. Dat is ook hoe ik in mijn begeleiding naar de kunstenaars zie: ik ben eigenlijk niet echt aanwezig, maar er wel de hele tijd bij geweest. En uiteraard wil ik de link met de ruimte nog een keer versterken: de ruimtelijke ervaring, de architectuur die toelaat die tweezijdigheid op zo’n bijzondere manier te tonen. Geen droog optelsommetje van werken in een ruimte, maar net dat tikkeltje meer – dat zie ik als mijn verdienste. Ik ben subtiel afwezig om het werk van de kunstenaars optimaal te laten uitkomen. Ik heb mijn interventie dan ook bewust de titel meegegeven: ‘Through presence, I am not there’.

Wat ik wel nog graag vermeld, is de soundscape die de geluidskunstenares Eline Vanduyver (beter gekend als E_Mousai) heeft gemaakt. Ik vond het zo’n tof idee om ook via geluid (o.m. kletterende weefgetouwen) de verbinding te leggen. Wel benieuwd hoe de bezoekers daarop zullen reageren.

Heb je dan niet het gevoel dat je daardoor afbreuk aan jezelf doet als kunstenaar? Had je dan zelf niet iets voor ogen, van wat je graag wou brengen?

Ik wist op voorhand dat ik niet zomaar een werk kon neerzetten zonder rekening te houden met de anderen. Maar ook dat mijn interventie niet direct ingrijpend zou zijn op het werk van de andere kunstenaars. Ik moest afwachten wat zij zouden brengen. En vooral hen ook de ruimte geven om het beste van zichzelf te geven. Mijn tussenkomst zou hoe dan ook een ad hoc gegeven worden. Het spelen met wat er voorhanden is, maakt nu eenmaal een essentieel onderdeel uit van mijn manier van werken. Dat neemt niet weg dat ik gaandeweg, bij de opbouw, ook al aan het denken was in termen van wat ik nog zou kunnen toevoegen. Bepaalde lijnen in de opstelling heb ik zo laten tot stand komen, omdat ik wist dat ik erop verder zou kunnen werken. Finaal is het samen met de kunstenaars groeien naar een totaalproject

Komt het resultaat tegemoet aan je verwachtingen en het vooropgestelde opzet? 

Ja, ik vind wel dat ik geslaagd ben in het realiseren van het spanningsveld dat ik voor ogen had om met textiele kunst een totaalbeleving te brengen waarbij de verschillende technieken en materialen erin slagen betekenis te geven aan ‘voorbij de keerzijde’. En dat met zes kunstenaars die gretig mee gestapt zijn in een proces, waarbij ze enerzijds trouw aan zichzelf zijn gebleven, maar anderzijds vanuit hun eigen beeldtaal nieuwe wegen hebben bewandeld. Het zou wel goed zijn om dat ook nog eens in detail te bevragen bij hen hoe zij dat ervaren hebben. Ik ben alvast heel tevreden met het resultaat.

Uiteraard speelt de bezoeker ook nog een belangrijke rol om te bepalen of het opzet geslaagd is? Heb jij zelf bepaalde voorspellingen of verwachtingen daarrond? Welk gevoel wil je dat de bezoeker eraan overhoudt, wat neemt hij of zij mee naar huis?

Ik zou graag hebben dat de bezoeker ervaart dat begrenzing ook ruimte toelaat, maar ook omgekeerd dat ruimte begrenzing toelaat. Dat niets eenzijdig is, maar minstens twee kanten heeft en we dus te allen tijde voorbij de keerzijde moeten kijken. Mijn interventie, bovenop, voor en achter de andere kunstwerken, wil mensen tot denken aanzetten over kunst, over textiele kunst over de mensen achter die kunst. Mensen die een verhaal brengen vanuit een authentieke beeldtaal. Laat ons die taal lezen. Traditioneel weven maar dan anders, het temmend gebruik van  ruw vlas, zijde tot diepte manipuleren, pluisjes uit de droogtrommel als basismaterie, een onderzoekend labo, sisaldraad die verdriet vangt. Allemaal inkijkmanieren, bijzonderheden, die mensen ongetwijfeld niet onberoerd zullen laten.

_____________________________________

Op de foto: Lieve Vanmaele    

Foto’s ©Marc Mestdagh

*Subtiel Textiel – Voorbij de keerzijde
Katrien Everaert, Trui Demarcke, Janne Gistelinck, Ina Hillewig, Mileen Malbrain en Hilde Windels
Curator: Lieve Vanmaele

deWeverij, Dellaertsdreef 9, 9940 Evergem (Sleidinge)

Zondagen 5 oktober, 2 november en 7 december (telkens van 10u tot 18u)
Meer info volgt op http://www.deweverij.be/subtieltextiel
@katrieneveraert @trui.demarcke @jannegistelinck @inahillewig @artmileen @hilde_windels
curator: @vanmaelelieve

[Dit artikel verscheen ook op het platform (website, nieuwsbrief) The Art Couch op 4/10/2025 en in het gedrukte jaarboek The Art Couch Review 2025 – december 2025]

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .