“Ik ben subtiel afwezig als curator”

– een gesprek met Lieve Vanmaele

Dikwijls gedacht dat een curator vooral instaat voor praktische zaken zoals het vastleggen van de zaal, het ontwerp van de uitnodiging, of relaties met de pers. Uiteraard naast de selectie van kunstenaars en werken – maar hoe moeilijk kan dat zijn. Kunstenaars weten toch best welk werk sterk is. Maar niets is minder waar. Een curator blijkt een soort van octopus, die verschillende rollen opneemt in het proces van een tentoonstelling. Tegelijk aanwezig en afwezig. We laten Lieve Vanmaele aan het woord. Zij nam de dubbele rol op van curator en kunstenares voor de tentoonstelling Subtiel Textiel.

Laten we beginnen bij het begin. Vanwaar het concept van deze tentoonstelling, Subtiel Textiel – Voorbij de keerzijde?

Vorig jaar deed ik al eens mee aan een groepstentoonstelling onder de naam ‘Subtiel Textiel – een tegendraadse expositie’. Ik werd gevraagd om voor een vervolgeditie de taak als curator op te nemen. Omdat het opnieuw de bedoeling was om minder voor de hand liggende textielkunst te brengen, kwamen we uit op het concept van de keerzijde. Ik wou vooral iets doen tegen eenzijdigheid. Ik krijg er de kriebels van hoe mensen in het algemeen dingen van één kant bekijken of ook bekeken worden. En zeker in de kunst, of het nu beeldend is of vanuit muziek, dans… of ook de manier waarop we omgaan met een ruimte. Ik wou dat doorbreken en aandacht vragen voor de veelheid aan invalshoeken. Vandaar de ondertitel ‘voorbij de keerzijde’. Ik had net in Amsterdam een expo met textiele kunst gezien waar ook de achterzijde van werken bekeken konden worden. Die extra dimensie gaf me als ruimtelijk denker onmiddellijk een klik. En een uitdaging om dat zelf eens in de praktijk om te zetten.

In mijn vorig in situ (solo)project op het schip Epreuve d’Artiste had ik dat al voor een stuk uitgeprobeerd. Ik had me toegelegd op El Lissitzky, die als kunstenaar en architect ook heel erg begaan was met ruimtelijke concepten en scenografie voor tentoonstellingen. Interessante inzichten. Vooral het omgaan met ruimtelijkheid op zich sprak me heel erg aan. Toen kwam de kans om dit verder uit te werken in de grote ruimte van deWeverij met werk van andere kunstenaars.

De eerste opdracht was andere kunstenaars vinden. Hoe is dat verlopen?

Op de eerste plaats moest ik abstractie maken van wat het resultaat zou kunnen worden. Het was belangrijk om goed te peilen naar hoe de kunstenaars in mekaar zaten en hoe zij op termijn zouden willen meedenken in het totaalproject. Ik was niet op zoek naar kunstenaars die binnen mijn beeld pasten. Ik zocht verschillende types kunstenaars, met verschillende technieken, uiteenlopende ‘beeldtalen’. Gaandeweg leerde ik ook de mens achter het werk kennen, en hun visie op die eenzijdigheid/tweezijdigheid. Dat was heel boeiend. Want ik wou hen vooral in hun eigen, authentieke beeldtaal laten bewegen, eerder dan ze allemaal te laten conformeren aan mijn beeld.

Naar aanleiding van de atelierbezoeken zijn er ook kunstenaars afgevallen. Ik probeerde vooral doorheen het werk, het materiaal, de techniek en de mens naar de kracht van hun taal te kijken. En uiteraard ook hun goesting om met het thema van tweezijdigheid, in combinatie met andere kunstenaars – die ze op dat moment ook nog niet kenden, aan de slag te gaan. Kortom, ik probeerde een artistieke vertaling te zien waar ze zelf nog niet bewust mee bezig waren. Dat doe je niet aan de hand van foto’s op Instagram, maar door een stevig gesprek én kijken. Echt kijken en blijven kijken. Binnen de comfortzone van het atelier, maar er hing toch wel wat zenuwachtigheid in de lucht. Zal ik erbij zijn of niet? Ik zag ook hoe de kunstenaars zelf met hun werk omgaan, ook letterlijk fysiek. Eén van de kunstenaars hield onbewust het werk tegen het zonlicht en toonde daarmee de ommezijde, die tot haar eigen verrassing een heel nieuwe dimensie prijsgaf. Kijken wordt zien.

Had je na de selectie het gevoel: nu weet ik welke werken ik kan gebruiken?

Niet echt. Ik heb geen voorafnames gedaan met het oog op het realiseren van mijn concept. Ik wist dat er nog werk aan de winkel zou zijn. Sommige kunstenaars kende ik al, en daar had ik wel het vertrouwen dat het goed zou komen. Bij anderen zag ik nog niet onmiddellijk het resultaat, maar dat nam ik wel op als mijn rol om dat proces verder te faciliteren.

Je hebt nog verschillende contacten met de kunstenaars gehad, alleen, met z’n allen samen. Er zijn zelfs enkele in situ try-outs gebeurd? Voelden de kunstenaars zich daar goed bij, of ondervond je weerstand?

Ik denk wel dat de meesten dat nuttig en zelfs leerrijk vonden. Sommigen heb ik zachtjes gepusht om anders naar hun werk te kijken, nieuwe dingen te verkennen. Vooral ook de presentatie, de manier van ophangen, was voor mij belangrijk – uiteraard dan ook vanuit de beleving van het totaalconcept. Het is heel motiverend, stimulerend dat er zo nieuwe dingen ontstaan. Kunstenaars die daarvoor open staan genieten daar ook heel hard van. De extra bezoekjes hebben zeker hun nut gehad. Ik moest ook wel wat verwachtingen managen en twijfels wegnemen. De collega kunstenaars laten zich natuurlijk wel wat kwetsbaar zien. Niet in het minst ook ten opzichte van elkaar. Hoe gaat mijn werk zich verhouden tot dat van de anderen? Komt het geheel wel goed? Voor mij uitdagend om iedereen op een positieve manier aan boord te houden. Het gaat heel hard om vertrouwen in een niet-eenzijdige richting, waarmee de ‘weverij’ helemaal rond is.

Als we dan even naar de volgende ‘mijlpaal’ kijken, de opbouw. Hoe heb je dat ervaren? Viel alles direct op zijn plaats of heb je nog moeten bijsturen?

Ja, dat was wel spannend uitkijken. Ook al omdat vanuit die voorbereidingen heel wat verwachtingen gerezen waren over hoe het er finaal zou uitzien. Over mijn persoonlijke interventie werd nooit echt veel gezegd of gevraagd. Behalve dat ik wel zou zorgen voor een ‘verbindend geheel’ achteraf. Voor velen was het dus niet duidelijk hoe ik hun werk daarin al zou betrekken of niet. We hadden op een bepaald moment enkele zones afgesproken en wat weg en weer gepingpongd over welk werk mee te brengen. Maar op de dag van de opbouw zou het toch allemaal nog moeten gebeuren.

Bij het binnenbrengen bleek al vlug dat er wel wat veranderingen zouden kunnen gebeuren. De ruimte heeft nu eenmaal vanuit zijn omvang en constructie wel een zekere ‘eigengereidheid’ om kunst te brengen. Ik voelde onmiddellijk al een zekere spanning. Ik had armen en benen te kort om met iedereen tegelijk te overleggen en na te denken waar bijgestuurd zou kunnen, moeten worden. Ik moest terugvallen op mijn ervaring om heel erg in lagen te gaan denken. Als we dit doen, kunnen we dan dat doen. Geleidelijk aan, laag na laag opbouwen. Maar nog de mogelijkheid laten om weer een laag af te pellen. De kunstenaars vooral ook zelf tot inzicht laten komen door hen dingen te laten proberen. Wie ben ik om zomaar van alles op te dringen. Dat was niet evident. Het was voor velen een lange en vermoeiende dag. Fysiek, maar ook mentaal – om het eigen werk anders te bekijken, om eigen werk tegenover ander werk te zien, om de ruimte die zich niet zo maar buigt te respecteren. Ik heb veel tijd uitgetrokken om hen uit te leggen waarom bepaalde zaken nu toch beter anders werden uitgevoerd. Er is altijd een waarom. Best wel pittig.

Maar voor mij is dat de essentie van curator zijn. Het is balanceren tussen wat de kunstenaar voor ogen heeft, en de regie die ik wil voeren met het oog op het geheel. Waarbij ik de authenticiteit van de kunstenaar niet wil beschamen. En zeker als je beslist om werken niet op te stellen, kom je al vlug in een modus van weerstand, twijfel, ongeloof. Op dat moment moet ik standvastig zijn. Ik wil niet hard zijn, maar kiezen is uiteraard verliezen. Gelukkig kan ik dan terugvallen op redelijk wat mensenkennis en mijn aanpak om gradueel, gelaagd te gaan werken. Geen bruuske wijzigingen of harde beslissingen. Alles in overleg en met wederzijds respect. Die vibe blijft overigens hangen in het eindresultaat. Wat finaal dan toch anders of niet getoond wordt, heeft wel degelijk een rol gespeeld.

Tot slot heb je er zelf nog een laag bovenop gedaan, een ruimtelijke interventie. Had je als doel het geheel te lijmen of wou je een echte meerwaarde creëren?

Uiteraard is het de bedoeling om – in zoverre dat onvoldoende gebeurd zou zijn – het geheel met elkaar te verbinden. Alles met alles connecteren, spanningsvelden creëren of net wegnemen. Het is ook een bevestiging van de mentale processen die aan de basis lagen van beslissingen om bepaalde zaken zus of zo te doen. Het is natuurlijk wel geen negatieve oplossing, integendeel, het is bedoeld om van één plus één drie te maken. Een mentale verbinding tussen verschillende werken, materialen, technieken en achterliggend de kunstenaars. En in wat je ziet heb ik bewust gekozen voor een heel minimalistische interventie. Door de fijne draden en beperkte materialen lijkt het alsof ik afwezig ben. Dat is ook hoe ik in mijn begeleiding naar de kunstenaars zie: ik ben eigenlijk niet echt aanwezig, maar er wel de hele tijd bij geweest. En uiteraard wil ik de link met de ruimte nog een keer versterken: de ruimtelijke ervaring, de architectuur die toelaat die tweezijdigheid op zo’n bijzondere manier te tonen. Geen droog optelsommetje van werken in een ruimte, maar net dat tikkeltje meer – dat zie ik als mijn verdienste. Ik ben subtiel afwezig om het werk van de kunstenaars optimaal te laten uitkomen. Ik heb mijn interventie dan ook bewust de titel meegegeven: ‘Through presence, I am not there’.

Wat ik wel nog graag vermeld, is de soundscape die de geluidskunstenares Eline Vanduyver (beter gekend als E_Mousai) heeft gemaakt. Ik vond het zo’n tof idee om ook via geluid (o.m. kletterende weefgetouwen) de verbinding te leggen. Wel benieuwd hoe de bezoekers daarop zullen reageren.

Heb je dan niet het gevoel dat je daardoor afbreuk aan jezelf doet als kunstenaar? Had je dan zelf niet iets voor ogen, van wat je graag wou brengen?

Ik wist op voorhand dat ik niet zomaar een werk kon neerzetten zonder rekening te houden met de anderen. Maar ook dat mijn interventie niet direct ingrijpend zou zijn op het werk van de andere kunstenaars. Ik moest afwachten wat zij zouden brengen. En vooral hen ook de ruimte geven om het beste van zichzelf te geven. Mijn tussenkomst zou hoe dan ook een ad hoc gegeven worden. Het spelen met wat er voorhanden is, maakt nu eenmaal een essentieel onderdeel uit van mijn manier van werken. Dat neemt niet weg dat ik gaandeweg, bij de opbouw, ook al aan het denken was in termen van wat ik nog zou kunnen toevoegen. Bepaalde lijnen in de opstelling heb ik zo laten tot stand komen, omdat ik wist dat ik erop verder zou kunnen werken. Finaal is het samen met de kunstenaars groeien naar een totaalproject

Komt het resultaat tegemoet aan je verwachtingen en het vooropgestelde opzet? 

Ja, ik vind wel dat ik geslaagd ben in het realiseren van het spanningsveld dat ik voor ogen had om met textiele kunst een totaalbeleving te brengen waarbij de verschillende technieken en materialen erin slagen betekenis te geven aan ‘voorbij de keerzijde’. En dat met zes kunstenaars die gretig mee gestapt zijn in een proces, waarbij ze enerzijds trouw aan zichzelf zijn gebleven, maar anderzijds vanuit hun eigen beeldtaal nieuwe wegen hebben bewandeld. Het zou wel goed zijn om dat ook nog eens in detail te bevragen bij hen hoe zij dat ervaren hebben. Ik ben alvast heel tevreden met het resultaat.

Uiteraard speelt de bezoeker ook nog een belangrijke rol om te bepalen of het opzet geslaagd is? Heb jij zelf bepaalde voorspellingen of verwachtingen daarrond? Welk gevoel wil je dat de bezoeker eraan overhoudt, wat neemt hij of zij mee naar huis?

Ik zou graag hebben dat de bezoeker ervaart dat begrenzing ook ruimte toelaat, maar ook omgekeerd dat ruimte begrenzing toelaat. Dat niets eenzijdig is, maar minstens twee kanten heeft en we dus te allen tijde voorbij de keerzijde moeten kijken. Mijn interventie, bovenop, voor en achter de andere kunstwerken, wil mensen tot denken aanzetten over kunst, over textiele kunst over de mensen achter die kunst. Mensen die een verhaal brengen vanuit een authentieke beeldtaal. Laat ons die taal lezen. Traditioneel weven maar dan anders, het temmend gebruik van  ruw vlas, zijde tot diepte manipuleren, pluisjes uit de droogtrommel als basismaterie, een onderzoekend labo, sisaldraad die verdriet vangt. Allemaal inkijkmanieren, bijzonderheden, die mensen ongetwijfeld niet onberoerd zullen laten.

_____________________________________

Op de foto: Lieve Vanmaele    

Foto’s ©Marc Mestdagh

*Subtiel Textiel – Voorbij de keerzijde
Katrien Everaert, Trui Demarcke, Janne Gistelinck, Ina Hillewig, Mileen Malbrain en Hilde Windels
Curator: Lieve Vanmaele

deWeverij, Dellaertsdreef 9, 9940 Evergem (Sleidinge)

Zondagen 5 oktober, 2 november en 7 december (telkens van 10u tot 18u)
Meer info volgt op http://www.deweverij.be/subtieltextiel
@katrieneveraert @trui.demarcke @jannegistelinck @inahillewig @artmileen @hilde_windels
curator: @vanmaelelieve

[Dit artikel verscheen ook op het platform (website, nieuwsbrief) The Art Couch op 4/10/2025 en in het gedrukte jaarboek The Art Couch Review 2025 – december 2025]

Geplaatst in Geen categorie

“Ik wil mensen met kunst in contact brengen”

– Een gesprek met kunstcriticus Daan Rau

Geflankeerd door muren van literatuur, filosofie- en kunstboeken en kunstwerken met een verhaal, dwingt Daan Rau sowieso ontzag af. Hij laat zich welgevallig bevragen, maar zijn sierlijke uitspraken meanderen, net zoals hij zelf wiebelt in de comfortabele zetel in zijn bibliotheek. Het gesprek gaat soms ver in de tijd terug en kantelt in anekdotes – die niet allemaal gepubliceerd moeten worden. Zijn focus blijft nochtans heel scherp en alles heeft bijgedragen tot de metamorfose van ‘Handelsreiziger in tentoonstellingen’, zoals hij zichzelf op een bepaald moment noemt, naar fervent promotor van een dagelijkse portie kunst.

Misschien toch heel kort even je achtergrond situeren. En hoe je tot kunstcriticus geëvolueerd bent.

Voor alle duidelijkheid de benaming kunstcriticus, dat komt niet van mij hoor. Dat is mij een beetje opgelegd. Maar goed, van jongs af aan was er wel kunst in de familie, thuis, bij mijn grootouders. En ik was wel geïnteresseerd. Ik ging als twaalfjarige wel eens een galerie binnen. Op school was ik al bezig met tentoonstellingen. Zelf heb ik nooit de ambitie gehad om kunstenaar te worden. Dat neemt niet weg dat ik wel iets creatiefs in mij had: etaleren van dingen, combinaties maken. Ik studeerde later filosofie en maatschappelijk werk. Mijn stage was bij de vzw Scheppende Handen. En doordat ik al wat ouder was en ervaring had in de jeugdbeweging en actief was in de jeugdraad, kreeg ik carte blanche om een tentoonstelling te organiseren. En ik wou er per se iets meer van maken. Tonen dat dat meer kan teweegbrengen dan iets neerzetten en wachten tot er volk op af zou komen. Ik bracht verschillende groepen mensen naar de tentoonstelling. Ik zorgde voor lezingen en films, een brede omkadering. Dat sloeg aan. Zelfs in die mate dat ik er mijn thesis over gemaakt heb: dat een tentoonstelling kon helpen mensen te vormen. Na mijn legerdienst kon ik bij Scheppende Handen aan de slag. Als enige op de payroll – ik was baas van mezelf wat de deur opende om heel wat tentoonstellingen te maken. Later liet ik het in oorsprong katholieke Scheppende Handen vervellen tot een meer pluralistische organisatie onder de naam Amarant. Dat zorgde er ook voor dat ik weer andere dingen kon doen. Een belangrijke tentoonstelling, die twee jaar rondreisde, was er één rond geweld. Het werd zelfs even een rel omdat men aanstoot nam aan enkele kunstwerken. Die werden in Malle op vraag van de burgemeester verwijderd, maar tijdens de rondleidingen nam ik ze gewoon mee, censuur is ook een vorm van geweld. We haalden er zelfs de voorpagina van de krant mee.

Die interactie met de bezoeker vind je wel belangrijk?

Het heeft me altijd geboeid hoe mensen naar kunst kijken. Mensen in contact brengen met kunst is altijd mijn drijfveer geweest. Ik heb daarbij ook oog gehad voor het educatieve aspect. Als ik een rondleiding gaf voor jongeren liet ik ze eerst een relax-oefening doen. Ik heb eens een groep op een jongerenkamp een uur – en dat is heel lang – laten kijken naar werken, om van daaruit verder in te gaan op wat het voor hen betekende. Ook als je vertrekt van een toegankelijk werk, kan je toch nog een betere ervaring hebben als je er meer over weet. Wie de kunstenaar was, de achtergrond waartegen het werk gemaakt is enzovoorts. Hoe meer je kijkt, hoe meer je ziet. Maar je moet natuurlijk willen kijken. Ik volg Marcel Duchamp die vond dat naast de betekenis van de kunstenaar de bezoeker ook zijn betekenis kan geven aan het kunstwerk en zo mee het kunstwerk maakt. Je moet er alleen tijd voor nemen en open staan voor nieuwe ervaringen.

Hoe zie je je rol als kunstcriticus?

Als kunstcriticus speel je daar een heel belangrijke, faciliterende rol in. Het is alleen zaak om niet al te sturend te werken of dingen te gaan schrijven die wellicht helemaal niet in het werk zitten. Ik vertrek daarom heel graag vanuit het werk zelf – wat zie je, waar verwijst het naar, wat roept het op? Als niemand er naar kijkt, is er ook niks. Dus daar speel je wel een rol, om dat op gang te trekken. Dat kan over technische zaken gaan. Of het werk gewoon slecht gemaakt is of niet. Maar dat wil nog niet zeggen dat het een slecht werk is. En omgekeerd geldt dat ook natuurlijk.  

Voor veel mensen begint kunstkijken bij de afweging ‘is het schoon’?

Ik wil vooral dat kunst mensen raakt, hen prikkelt en dat er meer te zien is dan ze misschien op het eerste zicht dachten. Op die manier gaat het niet zozeer over mooi of lelijk. Niet alle kunstwerken zijn bedoeld om boven de sofa te passen, en niet iedereen moet een sofa kopen die bij een werk past. Ik vind het wel jammer als mensen te vlug breken op werk dat niet aan het klassieke schoonheidsideaal voldoet. Schoonheid kan in alles zitten. Dat vind ik dan ook weer mijn taak als criticus, om de toegang tot kunst vlotter te laten verlopen.

Je schreef vroeger ook al?

Natuurlijk, als je een tentoonstelling maakt, dan moet je ook teksten maken. Ik kon sowieso goed ‘klappen’, dus werd ik ook gevraagd om teksten te schrijven voor de kunstenaars of voor inleidingen. Ik wou dan vooral toegankelijke teksten maken. Om mensen aan het denken te zetten, eerder dan hen gedachten op te leggen. Mensen moeten zelf denken. Zelfs vandaag nog wil ik met mijn teksten op Facebook vooral mensen warm maken voor kunst. Ik doe niet aan zware kunstkritiek. Ik ga weinig afbreken, tenzij het gaat om het slecht besteden van ons belastingsgeld. Dan durf ik wel eens in de pen te kruipen.

Je ziet meer en meer dat de grens tussen curatoren, critici en kunstenaars vervaagt?

Ja, vroeger waren die rollen duidelijk gescheiden. Je deed het een en niet het ander. Nu zie je die vermenging. Ik heb er eigenlijk nooit bij stilgestaan. Ik neem aan dat dit eerder een natuurlijke evolutie is. Ik zie dat curatoren die tegelijk kunstenaar zijn ook meestal hun eigen werk meenemen in de tentoonstelling. Op zich kan dat, maar het is interessant om dat als kijker, en criticus, te weten. Het maakt de tentoonstelling niet noodzakelijk beter of slechter. Neem bijvoorbeeld het verdienstelijke werk van Jan Leysen voor de kunstbiënnale Sint-Denijs-City. Naast verzamelaar ook curator en een goede gids. Het is modieus om veel te laten beleven, maar ik wil ook informatie. Grote teksten hoeven niet perse, maar een beeldentuin zonder enig naamplaatje stoort mij dan ook weer. Ergens doet dat afbreuk aan mijn beleving, maar ook aan het werk van de kunstenaar.

Een andere manier om kunst een stuk toegankelijker te maken bestaat erin om sociaal artistieke projecten te maken. Maar wordt kunst zo niet teveel geïnstrumentaliseerd wat de kwaliteit en kracht niet ten goede komt?

Kunst mag voor mij gebruikt worden binnen bepaalde opdrachten. Zeker als er een opdrachtgever bereid is om een kunstenaar te engageren. Het moet dan wel goede kunst worden natuurlijk. Het is de kunde van de kunstenaar om dat louter sociale te overstijgen. Neem bijvoorbeeld het project van Rik Delrue, The Intellectual Gnome. Naar aanleiding van de opening van het Huis van Alijn maakte hij duizenden kleine kabouters die over de hele stad Gent verspreid werden. En voor een ander project rond de Grote Ooslog werkte hij rond de mol. Ik deed de openingsrede en ik zag toen mensen die nooit een voet in een museum zetten, maar die toch ontroerd waren door het project. Aan de andere kant ben ik zeker ook voorstander van kunst die meer rond verstilling en weg van hectiek van de huidige wereld werkt. Kunst moet gewoon overal zijn, ook op stille plekken.

Je bent heel vaak op stap. Hoe kijk je naar de huidige galeries?

Er zijn veel soorten galeries. Sommige stellen zich eerder hautain op. Je wordt soms bekeken alsof je blij mag zijn toegelaten te worden. Andere onthalen je warm, wat natuurlijk mijn voorkeur geniet (lacht). In beide kan je nochtans even goede of even dure werken vinden. Jammer dat sommige te plat commercieel zijn. Maar daar zet ik dan geen voet binnen en ga ik er ook niet over schrijven. Aan de andere kant hou ik ook wel van de vele kleine, nieuwe initiatieven. Galeries of projecten van kunstenaars. Dat zijn leuke initiatieven. Die kunnen het vuurtje aan de lont steken, voor een stuk groeien of weer verdwijnen. Dat hoort erbij.

Er zijn veel kunstenaars….

Ja er zijn heel veel kunstenaars. En heel veel verwachtingen. Er kunnen niet genoeg kunstenaars zijn – ik heb daar geen probleem mee. Of al die kunstenaars moeten verkopen, dat is iets anders. Je hebt veel soorten kunst, dat is een ontzettende rijkdom. Het DKO (Deeltijds Kunstonderwijs) speelt daar een belangrijke rol trouwens. Het is een perfecte aanvulling op de hogere kunstscholen waar vooral de artistieke attitude belangrijk lijkt te zijn, en soms vergeten wordt dat men ook nog iets moet kunnen. Een basisopleiding is belangrijk. Vergelijk het met schrijven: ik moet daarvoor ook het alfabet leren en een taalschat verwerven. En veel lezen en schrijven. Dat is hetzelfde met kunst. Natuurlijk zijn er verschillende soorten kunstenaars: sommigen spreken een groot publiek aan, anderen worden pas heel laat ontdekt. Dat maakt het allemaal niet minder waardevol. Want de levensloop van een kunstenaar kan heel grillig zijn. Jonge kunstenaars kunnen opgepikt worden en heel populair worden. Er zit een soort natuurlijke selectie achter. Dat maakt dat sommigen gefrustreerd geraken. En zelfs als het niets wordt, dan is het toch nog iets geweest. Sommigen beslissen dan om iets anders te doen, blijven in het vak als leraar, of doen iets helemaal anders. Goeie leraars zijn zeldzaam maar heel belangrijk voor veel kunstenaars.

Tot slot, is er nog interesse voor verzamelen en kopen van kunst?

Ik heb het gevoel dat er nog altijd heel veel mensen zijn die van kunst houden en ook kunst verzamelen en kopen. Er zijn natuurlijk mensen die kunst maar zever vinden en niet geïnteresseerd zijn. Er ook geen enkele voeling mee hebben. Maar voor mij is kunst levensnoodzakelijk, en ik omring me ook graag met mensen die die passie delen. Ik begrijp wel dat het wat moeilijker geworden is. Dat heeft uiteraard met de tijd te maken. Ik bedoel de onzekere tijden, als je ziet wat er in de wereld gebeurt. Nogmaals, ik zie toch nog altijd mensen kunst kopen. En niet enkel oudere mensen, ook dertigers. Onlangs maakte ik nog mee in een Gentse galerie dat alles uitverkocht was. Werk van een jonge kunstenaar. Wellicht een hype, waar verzamelaars vroeg bij willen zijn. Want zijn prijzen zullen nu wel omhoog gaan. Hoe dat komt? Geen idee, maar het gebeurt gewoon en het moet zijn dat zijn werk tal van mensen beroert. Dat maakt kunst elke dag opnieuw boeiend!

________________________

Daan Rau – Facebook-pagina: https://www.facebook.com/daan.rau Volg zeker ook de reeks posts ‘Geen dag zonder kunst’ waarbij heel wat informatie over actuele tentoonstellingen wordt meegedeeld!

[Dit interview werd ook gepubliceerd op The Art Couch op 28/9/2025 en in het gedrukte jaarboek The Art Couch Review 2025 – december 2025).]

Eat This – op het gevaar af een indigestie te hebben

Er zijn veel kunstwerken en daarachter heel veel kunstenaars. Laat ze nog allemaal het eten schilderen dat ze niet met hun kunst kunnen verdienen en het draait helemaal in de soep. Cultuurcentrum De Schakel in Waregem zag het anders, en wou dan toch maar een volledige menukaart op haar muren. Meer dan 300 werken telt de tentoonstelling Eat This*. Wat ze gemeen hebben, behalve dat ze ondanks het thema niet-eetbaar zijn, is het formaat: 20 op 20 cm. Klein genoeg om menig kunstenaars stress te bezorgen. Veel hedendaagse kunst gaat graag groot – expressief, abstract, figuratief, alles erop en eraan. De kleine doekjes afdeling in de speciaalzaak of bij de Action is wellicht nog nooit zo bevraagd geweest. Was niemand zo stout om voor te stellen ronde werkjes te vragen – nog meer ‘een mooi bordje’?

Wat het de bezoeker doet is niet duidelijk. Vraagt verder onderzoek. Een paper, een proefschrift, minstens een discussie met alle betrokkenen. Want onopgemerkt kan dit niet voorbijgaan. Eerder deze zomer was er in Gent het Buy Local kunstsalon, waar meer dan 700 werken van Gentse kunstenaars muurhoog en -breed in de Kunsthal werden opgehangen. Een geroutineerde Franse Salon des Artistes had er niks aan. En ook toen werd al in de gangen – in zoverre er nog plaats was – gefluisterd dat dit misschien niet de beste aanpak was. Eervol voor de kunstenaar, zeker. Je werk kunnen tonen, en in veel gevallen zelfs ook nog verkopen, aan gretige kunstliefhebbers.

Maar of die honger zo groot blijft en of we er ons niet ziek aan eten? Sommige stemmen vragen om een selectie. Heeft te maken met kaf en koren. Alleen is niet duidelijk hoe dit dan moet gebeuren – lees: wie zal dat doen? Een jury bestaande uit experten die mogen voorproeven. Die de verantwoordelijkheid op zich nemen om de bezoeker te helpen en misschien ook wel om de kunstenaar tegen zichzelf te beschermen. Zoiets. Of dan toch zoals in Waregem het geval was: vol is vol – de lat werd op 300 werken gelegd. Het zijn er finaal iets meer geworden – hoe ook een limiet rekbaar wordt om toch maar niemand voor het hoofd te stoten.

Dan maar terug naar een harde selectie. Het roept tegelijk ook een bedenking – laten we het maar gewoon een dilemma noemen – op die op verschillende plaatsen terug te vinden is in de recent gepubliceerde Landschapstekening Kunsten van de Vlaamse overheid.° Moet het beleid en alles wat daarbij hoort, zich aanpassen aan het aanbod van kunst en alles doen om zoveel mogelijk kunstenaars te faciliteren of mag het wat kordater ingrijpen op dat aanbod door de nodige filters in te bouwen. Zeg maar poortwachters aanstellen die selecteren, jureren en toezien op wat wel een kans verdient. Los van wat de criteria dan ook wel mogen zijn, zowel wat betreft die poortwachters als de manier waarop ze de poort bewaken.

Kunnen we het er niet gewoon bij laten en genieten van Eat This? Of moeten we het toch nog even hebben over de roep van kunstcritici om de strijd aan te gaan met middelmatigheid en makkelijk amusement in de beeldende kunst. Hoe banaal kan je het verzinnen, een opgelegd werkje, met als gevolg de mobilisatie van heel schilderend Vlaanderen. Geef ons maar lege witte muren, met hier en daar een schurend meesterwerk in plaats van al die frivoliteiten. Hoe dan ook, op de openingsreceptie waren heel veel gelukkige mensen te zien. Het is geen kunst om de waarde van kunst te appreciëren. 

________________

* De groepstentoonstelling ‘Eat this’ loopt van 20 september tot en met 12 oktober 2025 in de exporuimte van CC De Schakel (Waregem) – www.ccdeschakel.be 

° Landschapstekening Kunsten 2025, Een analyse van de trends en ontwikkelingen in het professionele kunstenveld van Vlaanderen, Kunstenpunt (september 2025) – https://www.kunsten.be/dossiers/kunstenbeleid/landschapstekening-2025-een-analyse-van-het-vlaamse-kunstenlandschap/

[Dit artikel verscheen ook op The Art Couch op 21/09 – https://www.theartcouch.be/nieuws/eat-this-op-het-gevaar-af-een-indigestie-te-hebben]

Hoeveel ruimte eist een kunstwerk op?

Veel kunstwerken worden verwend. Vooral dan in musea en projectruimtes waar de scenograaf zich mocht uitleven. Meestal is er voldoende ruimte om werken tot hun recht te laten komen, tenzij het mag schuren, dan duwen we alles doelbewust op een hoop in een hoek. Dat hoort er tegenwoordig ook bij. Ruimte vertaalt zich ook in afstand. Dus zeker niet de stappenteller vergeten opzetten en soms is een lunchpakket voor onderweg ook handig. Denk maar aan een Verbeke Foundation bij ons, Voorlinden bij Den Haag of het Hamburger Bahnhof Museum in Berlijn.

Aan de andere kant van het spectrum word je meegezogen in kleinschaliger opstellingen. Waar het licht door ontwijde glasramen meedanst op de werken. Of neem de zalen van beschermde, maar daarom niet minder vervallen kastelen. Er mag weliswaar geen extra nagel in de muur, en grijze panelen van de lokale uitleendienst bieden ook niet altijd soelaas. Dan maar de obligate schildersezel inzetten. Wat  goed is voor het menu tijdens een communiefeest, kan op andere dagen ook de kunst in huis dragen. Om nog te zwijgen van de kakelverse popups. Zo veel mogelijk leeghalen om te zorgen dat er geen verwarring is met de kunst. En meer dan borstelproper moet het niet zijn. Het kan de pret van de kijker allerminst bederven. Een beetje Montmartre of Francis Bacons atelier in de eigen achtertuin.

En daartussen zitten de verkoopsgaleries. Noem het geen winkels, want dat klinkt vies, en doet afbreuk aan de artistieke geplogenheden. Maar toch zit er een belangrijke uitdaging in het hoe van de verkoop. Want in tegenstelling tot musea en heel wat van die lokale expo’s is het wel degelijk de bedoeling de kunstwerken bij een liefhebber of verzamelaar te laten landen. Niet enkel een catalogus of kaartje uit de museumshop, of een klein aquarelleke als aandenken aan het bezoek aan de kunstmarkt.

Als je inzet op passage, heb je een goede ligging van doen, en dat kost geld, wat dan weer de ruimte beperkt. Veel ruimte vind je net altijd over de grens, verder dan wat je wil rijden, waar de trein niet langer stopt en een bus er enkel in de week komt. Het aanbod mag rijkelijk zijn – geen enkele supermarkt laat rekken onbenut – maar dat komt niet bij iedereen evengoed binnen. Werken interfereren met elkaar, willens nillens, ook al hangen ze ver uit elkaar. Het licht speelt een rol. Natuurlijk licht of neonlicht met een tandartsstoeleffect – je probeert niet in het licht te kijken, maar toch voel je de permanente witte gloed in je hoofd. Of spotjes, mijn favoriet – hiermee geef je een dimensie aan het werk dat zelfs de kunstenaar niet voor ogen had. Bij aankoop best het spotje erbij vragen.

Spelen met de ruimte is wel degelijk een uitdaging. En niet enkel voor de galerist. Ook de bezoeker heeft soms stress. Teveel werken, teveel prikkels zijn voor sommigen storend. Als er dan nog sterk gewrocht is aan de presentatie kan dat extra belemmerend werken. Versta je wel het pad dat voor jou is opengelegd. Dat kan des te meer spelen als de ruimte sowieso beperkt is. Dat er geen gangen of trappen zijn naar kamers waar je tot rust kan komen. Waar je kan nadenken en eventueel beslissen hoe zo vlug mogelijk weer weg te geraken als het werk je niet raakt.

In Gent is Galerie Drie* een relatief kleine ruimte.  Zodra je letterlijk over de drempel stapt, kom je in een ‘gesamtkunstwerk’ terecht. Meestal vinden er groepstentoonstellingen plaats waarbij de werken door elkaar hangen. Geen kaartjes met namen, titels, prijzen enzovoorts – die kan je terugvinden op een papieren lijst. Een ruimte die je in één oogopslag kan behappen. Maar tegelijk word je hard met het werk geconfronteerd. Veel ruimte om een stap achteruit te zetten is er niet. De werken lijken soms hun eigen conversatie te voeren, waar je als bezoeker beleefd probeert tussen te komen.

Wendy van Driessche en Guy De Dapper van Galerie Drie ervaren de kleine ruimte in elk geval niet als een beperkende factor: “We zien het eerder als een opportuniteit om zelf ‘out of the box’ te denken. Door een creatieve opstelling laten we de bezoekers verwonderen en geven we de kunstenaars een alternatieve blik op hun werk en tegelijk ook hoe kijkers hun werk kunnen benaderen. Een win-win voor iedereen dus.”


_________________

*Galerie Drie bevindt zich in de Sint-Amelbergastraat 3a in Gent – Vanaf 19 september loopt de tentoonstelling Hommage met werk van o.m. Free Pectoor en Saar De Buysere (tot 5 oktober)

Foto: opstelling van de expo met v.l.n.r. Saar De Buyssere, Free Pectoor, Guy De Dapper en Wendy van Driessche.

[Dit artikel verscheen ook op The Art Couch op 13 september 2025]

Geplaatst in Geen categorie

“Schrijven over kunst helpt kunstenaars vooruit”

– een gesprek met kunstschrijver Kathleen Ramboer

Een bezige bij, dat is het minste wat je kan zeggen van Kathleen Ramboer. Menig kunstenaar en galerist heeft haar al te woord mogen staan. Ze combineert woorden en foto’s in een inmiddels eigen frisse, kleurrijke stijl voor de interviews en een iets weemoediger kleurenpalet voor haar eigen kunstwerken. Grondig en goed voorbereid komt ze aan de start van dit interview. Als geen ander weet ze dat vragen er niet zijn om uit de weg te gaan, maar in de antwoorden vallen stiltes omdat ze met de haar typerende minzaamheid alle nuances wil verwoorden.

Hoe past kunstcriticus binnen de rest van je activiteiten, want je bent ook heel actief als fotograaf en mixed media kunstenaar?

Om te beginnen vind ik kunstcriticus een zwaar beladen woord. Ik schrijf gewoon over kunst. Ik heb geen specifieke opleiding, geen master kunstwetenschappen ofzo en ik doe het ook niet om den brode. Ik doe het wel heel graag, al komt dat nu wat meer op de laatste plaats. Ik maak bewust tijd voor mijn eigen kunst, het maken en bewerken en foto’s, deelnemen aan tentoonstellingen. De afwisseling vind ik prettig, maar soms is het wel even puzzelen, en heb ik het gevoel tijd tekort te komen.

Hoe is het schrijven met je kunst verbonden?

Zelf zie ik het schrijven over kunst eerder losstaan van mijn kunstenaarschap, maar ongetwijfeld is er een wisselwerking. Ik kom op een bevoorrechte manier in contact met heel wat kunstenaars. Mijn interesse als kunstenaar voor technieken en materialen zorgt ervoor dat ik anders kijk. En indirect zal dat dus wel een effect hebben op mijn kunst.

Wat is je drijfveer om te schrijven over kunst?

Ik vind het belangrijk om kunstenaars te steunen door over hun werk te schrijven. Er wordt zoveel boeiende kunst gemaakt, maar veelal zijn de kunstenaars nog niet gekend en is het voor hen ook niet zo evident om zichtbaarheid te krijgen. Dat is de reden waarom ik heel sterk geloof in een platform als Kunstpoort.com. Ik ben er ook eerder toevallig ingerold. Aanvankelijk schreef ik korte verslagen en aankondigingen over amateurkunsten, toneel, muziek. Maar geleidelijk aan werden teksten persoonlijker en begon ik ook interviews te doen, wat me enorm beviel. Plots werd ik gevraagd door kunstenaars en organisatoren en voelde ik dat ik zinvol werk deed. Dat geeft me energie om ermee verder te doen.

Hoe kies je de expo’s en kunstenaars waarover je schrijft en hoe pak je dat aan?

Tegenwoordig kiezen zij mezelf (lacht). Ik krijg veel vragen in de aanloop van tentoonstellingen. Als ik het interessant vind en het past in mijn agenda, dan ga ik daar graag op in. Als dan ook blijkt dat het sympathieke mensen zijn die nog iets te vertellen hebben, dan is dat mooi meegenomen.

Ik zal wel nooit zeggen: je werk is goed of slecht. Ik vel geen oordeel, maar probeer de kunstenaar en het werk te plaatsen in een bepaalde context. Maar dan wel op een laagdrempelige manier. Ik wil toegankelijke teksten schrijven, met oog voor wat de kijker kan interesseren. Ik zoek daarbij ook altijd naar positieve elementen. Neemt niet weg dat ik daarbij niet bang ben ook mijn persoonlijke mening mee te delen. Het is altijd spannend om achteraf de reactie van de kunstenaars te horen, maar meestal volgt wel appreciatie.

Hoe zie je de rol van de kunstcriticus? Collega Johan De Bruyne liet zich recent ontvallen dat hij tot de laatste der mohikanen behoorde, waarop jij antwoordde: ‘Er zijn nog een aantal jonge critici die de pen met zwier hanteren, gelukkig maar’. Is dat zo?

Er is zeker nog nood aan kunstkritiek. Hoe diverser de standpunten en hoe meer mensen erover schrijven, hoe beter voor de kunstenaar. Ook via het onderwijs wordt dat meegegeven. Aan laatstejaars studenten wordt aangeraden om iemand te zoeken om over hun werk te schrijven. Zo zijn er ook al verschillende jonge kunstenaars bij mij terecht gekomen.

Het is wel zo dat heel wat mensen die ook schrijven, bijvoorbeeld op blogs of op Facebook, daarnaast ook de rol opnemen van curator en/of kunstenaar. Van kunstkritiek op zich kan je niet leven. Ik heb er geen probleem mee zolang dat niet bedoeld is om enkel je eigen bekendheid te vergroten. Het is een valabele manier om kunstenaars vooruit te helpen.

Iedereen kan zich toch goed informeren via het internet?

Het internet in het algemeen kan niet tippen aan een goed geschreven tekst, die zowel naar de visie van de kunstenaar peilt, als het werk op een boeiende manier weet te beschrijven. Zeker niet als het dan ook nog eens een plezier is om te lezen. Voor mij moet het wel niet te elitair zijn. Soms is het schrijven om te schrijven en is de kunstenaar of het kunstwerk maar een flauw excuus. Ik ben ervan overtuigd dat mensen interesse hebben om de kunstenaar achter het werk te leren kennen, niet enkel de artistieke aspecten, maar ook zijn leefwereld. Dat neemt niet weg dat de verscheidenheid aan kanalen, van blogs tot en met gespecialiseerde tijdschriften als Glean en De Witte Raaf, nuttig zijn. In elk geval zien we bij Kunstpoort.com een toenemend aantal lezers. Mensen zoeken volgens mij gericht naar inspirerende informatie.

Wat is je visie op het landschap van kunstenaars, galeries, pop-ups, beurzen?

Er zijn heel veel studenten en jonge kunstenaars. De kunstscholen zijn overbevolkt, er is geen plaats voor werkruimtes. En ik vraag me wel af of die allemaal een toekomst als kunstenaar hebben. Is de maatschappij daar vragende partij voor? Het gaat tegenwoordig niet meer alleen over talent, maar ook over geluk, lef, de juiste mensen op het juiste moment en op de juiste plaats. Dat neemt niet weg dat ik gecharmeerd blijf door de frisse ideeën en experimentele benaderingen in de hedendaagse kunstwereld. Daarnaast zijn er natuurlijk ook heel wat oudere mensen die een tweede adem vinden in de kunst. Op zich is daar helemaal niks mis mee, maar het is misschien wat laat om nog iets te bereiken, tenzij ze er alsnog echt voor gaan.

Wat de galeries en beurzen betreft vind ik dat hoe meer mogelijkheden kunstenaars krijgen, hoe beter voor hen. Werk maak je om gezien te worden. De interactie met de kijker is een essentieel onderdeel van het kunstenaarschap. Maar of de overvloed aan galeries en toonplekken duurzaam zal blijken te zijn, betwijfel ik. Het lijkt me een hele uitdaging om daar je broodwinning van te maken. Dat zal zich ongetwijfeld vanzelf zuiveren. De gevestigde waarden zullen wel blijven bestaan, maar ook daar zie ik toch een uitdaging om voldoende te vernieuwen. Als galeriehouder ben je geen mecenas, maar het moet een passie zijn en blijven. Vooral ook bij beurzen zie je dat het commercieel argument de bovenhand neemt, ten koste van de kunstenaars. Er zou wat meer selectie mogen zijn. Aan de andere kant wordt de sector geprikkeld door het enthousiasme van ludieke projecten en pop-ups. Het reflecteert de hedendaagse kunstbeleving.

Doel je hiermee op de verwachtingen van de kunstliefhebbers?

Ja, kunst kijken is tegenwoordig ook entertainment en amusement. Musea krijgen pretparkallures. De mensen gaan een dagje uit, maar niet altijd voor de kunst op zich. Hierdoor bereik je natuurlijk een breder publiek. Hopelijk raken mensen daardoor wel meer geïnteresseerd in kunst. Maar soms gaat het wat te ver voor mij. Geef me maar verstillende kunst, liever dan van die interactieve toestanden waarbij je een bril op moet zetten.

Tot slot een vraag die iedereen in de sector bezighoudt: is er nog interesse om kunst te kopen?

Ik hoor van verschillende mensen dat het verkopen van kunst er wel niet makkelijker op geworden is. Zelfs het klassieke verzamelen is aan het veranderen. In plaats van werken bij te houden vanuit een passie voor de kunst, worden werken gekocht en direct doorverkocht. Er zijn natuurlijk ook anderen. Mensen die zich graag omringen met kunst om ervan te genieten. Mensen die daar ook veel van hun spaarcenten in steken. Al is het soms moeilijk betaalbaar. Wat ik ook wel hoor is dat social media helpen om kunst toegankelijker maken. Mensen zien meer kunst op voorhand, de stap om een galerie binnen te stappen is veel kleiner geworden, net als de overweging om kunst te kopen. Zo zie je maar dat alles aan elkaar vasthangt.

Meer info: https://www.kathleenramboer.com

(Dit artikel verscheen ook in The Art Couch op 27 augustus 2025: https://www.theartcouch.be/nieuws/schrijven-over-kunst-helpt-kunstenaars-vooruit-een-gesprek-met-kunstschrijver-kathleen-ramboer/  en in het gedrukte jaarboek The Art Couch Review 2025 – december 2025)

Geplaatst in Geen categorie